Over een oud kerstlied in een schudbol (kort verhaal)

Meer dan honderd jaar geleden woonde er op een afgelegen  boerderijtje in het zuiden van Duitsland een grootvader met twee kleinkinderen die samen schudbollen maakten. Elk jaar als de herfstbladeren begonnen te vallen, vulden zij glazen bolletjes met tinnen figuurtjes en nepsneeuw. Tegen de tijd dat het winter werd, verkocht de grootvader die aan winkeltjes in de wijde omgeving.

Hoewel ze arm waren, hadden de drie het goed met elkaar, Grootvader, Siegfried en Ulrike. Voor school was er geen geld, maar de kinderen vermaakten zich thuis ook prima. Siegfried hielp zijn grootvader met de schudbollen, bij het werk op de kleine boerderij en in de moestuin. Ulrike hield het huis schoon, weefde, naaide en kookte. Ze vertelden elkaar verhalen, speelden spelletjes en lachten veel.

Alleen in de decembermaand was grootvader stug en zwijgzaam. Zodra de eerste Adventsklokken van het dorpje in de verte begonnen te luidden, werd hij kortaf. Een kleinigheid kon hem dan al kwaad maken.De kinderen begrepen het wel. Kort voor Kerst werden er de meeste schudbollen besteld, zodat de Adventstijd altijd akelig druk was. Omdat ze verder nauwelijks inkomsten hadden, hing er veel af van het werk dat hun grootvader in die periode leverde. Maar leuk vonden de broer en zus het natuurlijk niet. Extra jammer was dat grootvaders grimmige buien pas overgingen als de feestdagen eenmaal voorbij waren. Terwijl andere kinderen genoten van kerstkaarsen en kerstkoekjes, hing er bij Siegfried en Ulrike thuis een gespannen, sombere sfeer.

Tijdens de gure herfst van het jaar 1899 begon Siegfried bovendien te vermoeden dat grootvaders grilligheid niet alléén door de drukte kwam… „Er is meer”, zei Siegfried stellig. Heel voorzichtig stipte hij met een penseel de mini-mutsen aan van de dik aangeklede, tinnen kindertjes, die in een lange rij op tafel lagen. Ulrike zat aan de andere kant met een compleet bos van kleine dennenbomen, die ze stuk voor stuk groen schilderde. De olielamp stond tussen hen in, zodat ze er allebei evenveel licht van hadden.

In de rest van het vertrek was het behoorlijk donker. Alleen bij de haard flakkerde een oranje schijnsel op, want grootvader had het vuur aangemaakt voordat hij naar de tingieter vertrok. Het knisperen van de vlammen werd overstemd door het gieren van de wind rondom het huis. „Wat bedoel je?” vroeg Ulrike, terwijl ze een dennenboompje ronddraaide om te zien of ze geen plekje overgeslagen had.„Grootvader is in december niet alleen zo somber omdat hij het druk heeft, maar ook omdat het kerstfeest eraan komt.” „Hoe kun je nu somber zijn vanwege een feest?” Verbaasd legde Ulrike haar kwastje neer. „Trouwens, wij vieren hier nooit kerstfeest.” „Precies!” Siegfried schoof kalm een kind van tin opzij en nam een nieuw mutsje onder handen. „Vandaag vroeg ik hem in de stal waarom wij dat nooit doen. Hij ontplofte bijna.”

Ulrike stond op. Ze liep naar het kleine raam. Dikke druppels sloegen tegen de ruitjes. Buiten was niets te zien dan zwarte silhouetten van bomen die hevig heen en weer zwiepten. Ze staarde peinzend voor zich uit. „Denk jij dat hij nog een ánder geheim heeft dan dat van de sneeuw?” vroeg ze bedachtzaam, zonder zich naar haar broer om te draaien. „Het geheim van de sneeuw in de schudbollen is iets anders”, antwoordde Siegfried. „Hoe hij die sneeuw maakt, vertelt hij mij als ik 21 ben. Zo heeft zijn vader dat ook bij hem gedaan. En die z’n vader ook... En zo gaat dat meestal met familiegeheimen.” „Familiegeheimen…”, mompelde Ulrike. Met een ruk keek ze over haar schouder. „Toen mama stierf, was het toch ook bijna Kerst?” In twee stappen was ze bij de tafel, ze zette haar handen midden tussen de tinnen kinderen neer en boog zich naar Siegfried toe om hem aan te kijken. Hij kneep zijn ogen tot spleetjes en dacht diep na. „Jij zou het nog moeten weten”, drong Ulrike aan. „Je bent een jaar ouder dan ik.” Hij schudde spijtig zijn hoofd. „Ik weet het echt niet meer. Dat ongeluk van papa, dat weet ik nog, al gebeurde dat eerder. Maar toen mama stierf…” Hij slikte. „Nee, ik weet alleen maar hoe verschrikkelijk het was. Niet in welke tijd van het jaar.” 

Langzaam liep Ulrike naar de ladder. Even later hoorde Siegfried haar rommelen op het zoldertje boven de woonkamer. Toen ze voorzichtig weer afdaalde, klemde ze een bal van glas in haar hand. „Een van de weinige dingen die ik nog weet”, zei Ulrike zacht, „is dat ik deze van mama kreeg toen ze al op bed lag. En… dat ik het niet verder mocht vertellen. Mama fluisterde toen ze hem gaf. Ze keek telkens naar de deur. Ze was bang. Dat vond ik eng.” Met grote ogen staarde Siegfried naar de schudbol. „Jij dus ook?”  Zijn stem klonk schor. „Ik heb precies dezelfde. Ik … Ik mocht ook niks tegen grootvader zeggen…” Ze zwegen een tijdlang en zeiden toen allebei tegelijk: „Waarom…?” Ulrike tikte op het glas van het bolletje. Een paar sneeuwvlokjes dwarrelden neer op open geslagen boekje. In de bladzijden stond met piepkleine letters gegraveerd:

Stille nacht, heilige nacht,
Vreed’ en heil wordt gebracht,
aan een wereld, verloren in schuld.
Gods belofte wordt heerlijk vervuld.
Amen! Gode zij eer

„Volgens mij is dat een kerstlied”, zei Siegfried. „Ik heb het weleens gehoord toen ik in het dorp was.” „Maar waarom…”, mompelde Ulrike, „… wilde mama ons per se een kerstlied voor ons achterlaten?” „En waarom”, vulde Siegfried aan, „wil grootvader juist niks van het kerstfeest weten? Wat stelt dat eigenlijk precies voor, kerstfeest?” „Nou”, zei zijn zus, terwijl ze voor de planken met schudbollen ging staan die al klaar waren, „het heeft in ieder geval te maken met…” En ze somde op wat er in de bollen zat, die ze de afgelopen dagen gemaakt hadden: „… met een sneeuwpop, een arrenslee, een roodborstje, een dennenappel, een hert…” Ze gebaarde naar de tafel: „… een dennenboom en met kinderen in dikke winterkleren. Wat kan daar nou mis zijn? Volgens grootvader dan...!” Siegfried hield de bol omhoog die Ulrike zojuist van zolder had gehaald. „Aan roodborstjes en sneeuwpoppen heeft hij blijkbaar geen hekel. Die maakt hij zelf. Maar van dit lied mocht hij van moeder niet weten. Misschien omdat hij er niks van wíl weten? En misschien …”

Met een bons viel op dat moment de buitendeur open. Een flinke mand vol tinnen figuurtjes kwam de kamer binnen, grootvaders drijfnatte hoofd stak er bovenuit. Zijn toch al niet vrolijke ogen werden groot en donker toen zijn blik op het schudbolletje in Siegfrieds hand viel. De mand dreunde op de grond en grootvader beende naar de tafel. „Wat is dat?” snauwde hij. In paniek keek Siegfried naar Ulrike. „Gewoon…”, hakkelde hij. „Gewoon een ouwe schudbol…” „Ja!” kwam Ulrike er tussen. „Die heeft u toch zeker zelf gemaakt?” Even leek hun grootvader van slag. Een paar tellen lang stond hij zichtbaar te zoeken naar woorden. Toen gromde hij: „Die heb ik gemaakt, inderdaad. Maar die maak ik niet meer. En da’s niet voor niks.”

Terwijl Siegfried het geschenk van hun moeder onder het tafelblad moffelde, vroeg hij: „Een kerstlied, toch? Wat is hier mis mee?” Met afgezakte schouders sjokte grootvader naar het raam, waar Ulrike net nog in de duisternis buiten had staan te staren. Hij sprak voor zich uit alsof zij er niet bij waren. „We werkten er keihard aan, in de mooie winter van 1890. Jullie vader en ik. We verheugden ons op een fijn kerstfeest. Jullie waren nog maar kleuters. En toen verongelukte je vader…  Mijn enige zoon… Doe dat ding weg!” „Is papa dan ook in de kersttijd gestorven?” vroeg Ulrike verbaasd. „Net als mama?” „Ja, natuurlijk!” bulderde de oude man plotseling en de kinderen krompen ineen. „Hoe kunnen wij dat weten?” vroeg Ulrike kwaad, toen ze een beetje van de schrik bekomen was. „U zegt zelf dat we nog heel klein waren.”

De oude man wreef over zijn hoofd. Hij liep naar de buitendeur die nog altijd openstond en smeet die dicht. Zonder Siegfried en Ulrike aan te kijken, zei hij: „Je vader stierf vlak voor Kerst. Je moeder een jaar later ook. Kerst is geen feest. Kerst is onzin. Wij doen daar niet aan.” „Stopt u daarom alleen nog maar dennenappels en dennenbomen in de schudbollen, en andere dingen die niet echt over Kerst gaan?” informeerde Ulrike. „Afgelopen nu!” schreeuwde haar grootvader. „Dat woord wil ik hier niet horen! Dat zou inmiddels toch duidelijk moeten zijn! Kerst is onzin.”

Zwijgend porde hij de haard op en zwijgend ging hij ervoor zitten. Terwijl hij in het vuur staarde, slopen Siegfried en Ulrike naar hun stromatras op het zoldertje, waar Ulrike haar schudbol zorgvuldig verstopte. „Als Kerst onzin is, hoeft grootvader er toch niet zo’n drama van te maken?” fluisterde ze in het donker. „We moeten het er gewoon niet meer over hebben”, antwoordde Siegfried zacht. „Grootvader heeft nare herinneringen aan Kerst. Logisch. En zo belangrijk is het niet.” Ulrike knikte. Maar even later ging ze overeind zitten. „Zo belangrijk vind ik het ook niet, maar… onze moeder blijkbaar wel.” „Hmm…” Nadenkend staarde Siegfried naar het houten plafond. „Dat is waar…”

De volgende dag draaide de wind en het begon te vriezen. De drie in het kleine boerderijtje deden hun best om de haard zo heet mogelijk te stoken. Ondertussen werkten ze hard. Spreken deden ze niet veel, en al helemaal niet over de schudbol met het kerstlied. Maar toen grootvader een week later op pad ging om bestellingen weg te brengen, liepen Siegfried en Ulrike naar het dorp. Ze kwamen langs een vijver waar een paar kinderen op schaatsen rondjes reden. Eén meisje zwaaide en twee jongens kwamen naar de kant om hen na te kijken.

„Ik voel me stom!” mopperde Ulrike.
„Hoezo?”
„Opa houdt ons altijd bij het dorp weg en daardoor weten wij niks van dingen die voor andere kinderen waarschijnlijk heel normaal zijn.” Ze kwamen bij de kerk en liepen naar de achterkant, waar vele tientallen grafstenen stonden. Aandachtig lazen ze de namen op elk graf, tot er een man met een bezem van takkenbossen uit een zijdeur van de kerk stapte.
„Hallo?” vroeg hij vriendelijk. „Zoeken jullie iemand?”
„Onze moeder”, legde Ulrike uit.
„Zo, zo”, antwoordde de man, terwijl hij hen van top tot teen opnam. „Jullie zijn toch zeker niet de kinderen van Anna Maria Lehmann?” Ze knikten allebei.
„Zo, zo”, herhaalde hij. „Dus zó groot zijn jullie alweer!” Hij dacht even na. „Het lijkt nog maar pas dat ik haar graf moest graven. En dat ik de klok voor haar zou luiden… Maar dát ging niet door…” De man zette zijn bezem tegen de kerk en ging hen voor naar een kruis waar twee jaartallen op stonden en de naam van hun moeder. Een tijdlang keken de kinderen stil naar het eenvoudige graf. Toen vroeg Siegfried:
„Wat zei u eigenlijk over die klok?”
„Da’s een wonderlijk verhaal”, antwoordde de man. „Jullie moeder was een gelovige vrouw. Tegen alle mensen die bij haar op ziekenbezoek kwamen, zei ze dat zij Jezus moesten zoeken. Kaarsjes branden, biechten, goede werken doen, het hielp allemaal niet, meende zij. ‘Vertrouw alleen op Hem.’ Ze was ook een bescheiden vrouw. Ze wilde eigenlijk liever niet dat de begrafenissenklokken voor haar zouden luiden. Het schijnt dat ze gezegd heeft: ‘Laat er liever gezongen worden van Hem Die redding bracht aan een wereld verloren in schuld.’ Maar meneer pastoor, die toch al vond dat ze de mensen onrustig maakte, besloot dat er voor haar begrafenis geen uitzondering kon worden gemaakt. ‘Detlef’, zei hij tegen mij. ‘Al eeuwenlang wordt hier níet gezongen en wél de klok geluid bij een begrafenis. Zo doen we het voor haar ook.’ Ik heb het haar gezegd en ze legde zich erbij neer.”

De man liep naar de kerkmuur om zijn takkenbossenbezem op te halen. Siegfried en Ulrike keken elkaar kort aan, hun ogen vol vragen. „Een dag voordat jullie moeder stierf”, vervolgde de man, toen hij bij hen terugkwam, „overleed de waard van de Sörgerhof. Hij werd daar in die hoek begraven. Ik luidde de klok en er was niets aan de hand. Maar de volgende middag, toen de stoet met de kist van jullie moeder de kerk verliet en ik de eerste ruk aan het klokkentouw gaf…” Hij veegde wat sneeuw rondom het kruis weg, leunde op de bezemsteel en keek hoofdschuddend op naar de kerktoren. Ulrike pakte de hand van Siegfried en kneep erin. „… toen kwam de hele klepel naar beneden! Compleet doorgeroest! En zo werd voor jullie moeder onze klok niet geluid. Het lied wilde de pastoor niet laten zingen, maar dat de klok kapot ging, dat kon hij niet voorkomen… “

Minutenlang wisten Siegfried en Ulrike niet wat ze moesten zeggen. Hand en hand keken ze zwijgend op het graf neer. Ten slotte schraapte Siegfried zijn keel. „Wij hebben dat lied van onze moeder gekregen”, vertelde hij. „Het is een kerstlied…” De man knikte. „Zal inmiddels wel zo’n 100 jaar oud zijn...” mompelde hij. „‘Stille nacht, heilige nacht, vreed’ en heil  wordt gebracht…’” Ulrike’s ogen werden rood en vochtig. „Grootvader zegt dat Kerst onzin is.” Ernstig keek de man haar aan. Toen ging zijn blik naar Siegfried. „Oordeel zelf”, zei hij. „Maar laat me jullie alleen dit nog zeggen: In de zesenveertig jaar dat ik hier koster ben, heeft de klok het nooit begeven. Als het toeval was dat dat juist die middag gebeurde, tja, dan zal Kerst ook wel onzin zijn. Maar anders…”

Bij het hek van het kerkhof namen ze afscheid van elkaar. Siegfried en Ulrike bedankten de man en juist wilden ze uit elkaar gaan, toen Ulrike zich bedacht. Ze draaide zich om. „Kunt u het even voorzingen?”
„Wàt?!” Met een ruk stond de man stil. „Ikke?”
Ze knikte. „Wij moeten het toch leren? Onze moeder wilde dat we zouden leren wat Kerst is en dat we ervan zouden zingen.”
De man werd rood en kuchte. „Mijn stem is niet meer wat-ie geweest is.” Hij keek ongemakkelijk om zich heen en zuchtte. „Ik zingen…! De sneeuw zou ervan smelten!”
„Het hoeft niet zo hard”, stelde Siegfried hem gerust.
En toen begon te man, aarzelend, met krakende, bevende stem een melodie te neuriën. Het duurde niet lang of twee heldere stemmen vielen hem bij.
„Amen! Gode zij eer.”

++

Dit verhaal is geïnspireerd door de geschiedenis van mijn oma, Aartje Gielen-van Beek, die stierf in het jaar 1980. In de maanden voor haar heengaan getuigde zij ervan hoe de Heere haar Heiland was geworden. „Laat er op mijn begrafenis gezongen worden”, zei ze: „”Dan ga ik op tot Gods altaren, Tot God, mijn God, de bron van vreugd!”” Klokken hoefden van haar echter niet te luiden.

Omdat het nu eenmaal gebruikelijk was, zou deze traditie toch in ere worden gehouden. Op de morgen van haar begrafenis klonk het klokgelui nog, terwijl er een dorpsgenoot werd uitgedragen. Maar na de rouwdienst van oma kwam de koster ontdaan op de familie af. Verschrikt fluisterde hij dat de klok stuk was gegaan en dat hij niet wist wat te doen…  Gezongen was er wel, maar oma werd in stilte naar het graf gedragen.   

Geplaatst op: 17-12-2018 geschreven door: TEKST Jeannette Wilbrink-Donkersteeg BEELD iStock

naar magazine

Reacties

Leave a Reply

Name:
Email:
(Jouw e-mailadres komt niet bij het bericht op de website)

Nieuws van vandaag

Stelling van de week: Een christen moet zuinig zijn op de schepping

Stelling van de week: Een christen moet zuinig zijn op de schepping

Rens ter Harmsel (12) uit Rijssen „Ik ben het eens met de stelling. De Heere heeft alles geschapen, daarom mogen mensen dat niet kapot maken....

lees meer

Jorina en Marilynn maken eigen huisje

Jorina en Marilynn maken eigen huisje

Jorina (7) en Marilynn (5) van der Wilt uit Elspeet genoten vorige week van hun voorjaarsvakantie. Met het prachtige weer maakten ze elke dag...

lees meer