Kerstverhaal - Zach!

Nee, handig is-ie niet echt, zijn vader. Hij doet wel vaak alsof, maar iedereen in het gezin maakt altijd dat hij uit de buurt is als vader klussen gaat. Bijna altijd is een van zijn duimnagels blauwgekleurd, omdat hij er dikwijls per ongeluk met een hamer op slaat. Vaak zit er ook een buil op zijn hoofd, omdat vader steevast een sprong in de lucht maakt zodra hij op zijn duim slaat. En de zoldering van de schuur is erg laag… Als vader in het bos bomen omzaagt, moeten Jos en zijn zus Jorien binnenshuis blijven. Moeder legt dan uit voorzorg een briefje naast de telefoon met het nummer van de ambulancedienst.

Nu is het december. Zware, donkergrijze wolken drijven langzaam over het huisje aan de bosrand. “Er komt sneeuw”, heeft moeder die morgen gezegd. Voor Jos kan het niet snel en hard genoeg sneeuwen. Hij heeft de slee al van zolder gehaald. Nu zit hij bij de kachel een boek te lezen. Het vuur in de houtkachel knettert; heerlijk voelt de warmte aan. Jorien probeert een kruiswoordraadsel uit de krant op te lossen. Moeder zit achter haar naaimachine de zoom van een handschoen te repareren. Opeens zwaait de buitendeur open; een koude windvlaag waait de kamer in. Vader komt binnen. Hij draagt een overall en op zijn hoofd een helm. Hij stampt de sneeuw van zijn laarzen op het vloerkleed. Moeder heeft al lang de moed opgegeven om hem dat af te leren. Vader kun je niks leren; vader kun je ook niks afleren. Die doet waar hij zin in heeft, en wat hij handig vindt. Nu heeft hij een motorzaag onder zijn arm. Een druppel olie valt uit de machine op het kleed. “Ik ga de boom bij de elektriciteitspaal omzagen”, zegt hij. “Het ding gaat steeds schever staan. Als ik hem nu niet omzaag, zakt-ie dwars door de kabel heen. Liever één zo’n boom aan kachelhout, dan tien zo scheef in het woud.” Vader kent één spreekwoord, en dat wil hij altijd en aan iedereen laten horen. Hij varieert er eindeloos op.
“Moet dat nu echt, zo vlak voor Kerstavond?, vraagt moeder. Maar ja, moeder weet ondertussen ook dat als vader iets in zijn hoofd heeft,  je het er nooit meer uit krijgt. “Als je maar niet per ongeluk de paal van de elektriciteit omzaagt”, waarschuwt moeder. Dat is echt geen grapje; vader is ertoe in staat. “Jongens, binnen blijven!” roept ze naar de kinderen. Jos kan het maar nauwelijks verstaan, want vader heeft inmiddels de zaag aangezet door hard aan een touw te trekken. Horen en zien vergaat hun; blauwe rook wolkt door de kamer. De ruiten trillen, de katten krijsen en de hond kruipt achter de bank. Jos is er inmiddels aan gewend, maar moeder vindt het nog altijd een rare gewoonte, weet hij: de motorzaag binnenshuis starten. Vaak heeft ze er wat van gezegd. Tevergeefs natuurlijk. “Jij zet de stofzuiger toch ook in huis aan. Dat ding geeft ook een hoop herrie. En het stinkt net zo.”
“Tot zo”, roept vader. Hij verdwijnt naar buiten. Moeder schudt haar hoofd, pakt het briefje met het alarmnummer uit een la van de buffetkast en legt het naast de telefoon.

Een paar dagen eerder heeft het ’s nachts flink gestormd. Drie bomen in de buurt van hun huis zijn omgewaaid. Een vierde boom houdt zich nog net overeind, maar zakt langzaam om, omdat een deel van de wortels losgeraakt is. En die boom wil vader nu aan mootjes zagen. Vanuit de struiken ziet Jos zijn vader naar de boom lopen. Jos is door een raam naar buiten geklommen zodra zijn moeder boven aan het stofzuigen was. Hij wilde wel eens zien hoe zijn vader het er van afbrengt. Met ronkende motorzaag loopt vader om de boom heen; hij kijkt de boom met vastberaden blik aan. “Die kant moet jij op vallen”, zegt vader tegen de boom, en hij wijst met zijn motorzaag richting het bos. “Anders maak ik lucifershoutjes van je”, dreigt hij. Vader plaatst de zaag aan de voet van de boom en geeft gas. Het lawaai is oorverdovend; een regen van zaagsel daalt neer op de nattige bosgrond. Jos ruikt benzinedampen en de geur van vers hout. Opeens ziet hij iets uit de boom vallen. Met een doffe plop belandt het ding op de grond. Het beweegt een beetje. Vader zaagt gewoon door. Jos komt uit de struiken, loopt naar zijn vader toe en klopt op zijn zaaghelm. Vader kijkt verbaast op en zet de zaag uit. “Pap, er viel iets uit de boom. Daar… Daar… Het beweegt!”

“Moet jij niet binnen zitten?” vraagt vader. “Kijk nou! Daar!” Vader kijkt in de richting die Jos aanwijst. Hij ziet een donker hoopje en loopt ernaartoe, op de voet gevolgd door Jos. Op een meter afstand blijven ze staan. Ze horen een zacht geluid: gemiauw. “Een kat? Wat moet die hier?” vraagt vader. Het diertje probeert op te staan, maar dat lukt hem niet. Het blaast en slaat wild om zich heen met uitgestrekte klauwtjes. “Die gaan we niet met blote handen aanpakken”, zegt vader. “Jos, haal jij gauw eens tuinhandschoenen uit de schuur, en neem ook een aardappelzak mee.”

Het is een katje dat je zelfs met tuinhandschoenen niet kunt aanpakken. Het beestje weet er met zijn tanden en nagels dwars doorheen te dringen. De tranen schieten Jos in zijn ogen, zo’n pijn doet het. Uiteindelijk grijpt hij het dier in zijn nekvel, en dat is een slimme zet, want nu kan het weinig meer beginnen. Vader houdt de zak open en Jos legt het diertje er voorzichtig in. “Zo”, zegt vader. “Liever één zo’n kat in de zak, dan tien op je dak. Dat kattebeest doet ons geen kwaad meer.”

Dan klinkt er opeens gekraak, geritsel en een enorme plof. Jos slaat van schrik zijn armen om zijn vader heen. De scheve boom ligt plotseling plat op de grond. De elektriciteitspaal ook. “Deksels!”, stamelt vader verbijsterd. “Dat was niet de bedoeling. Ik had hem dus al zover doorgezaagd dat-ie ging vallen…”
Het volgende moment horen ze moeder roepen: “Freek, de stofzuiger doet het niet meer! En het licht is ook uit!”
“Wat een ramp, de stofzuiger werkt niet”, lispelt vader. “Kom, Jos.” Jos trekt de zak voorzichtig over zijn schouder en loopt naast zijn vader naar huis.

“Ik kan niet meer stofzuigen! En net nu het Kerstavond is…”, roept moeder nog eens.
“Dan gebruik je toch stoffer en blik”,  zegt vader praktisch.
“En we hebben ook geen licht meer.”
“Dan doen we toch kaarsen aan. Gezellig!”
Boven het aanrecht trekt Jos de tuinhandschoenen voorzichtig uit. Zijn handen zitten onder het bloed.
“Wat is er met jou gebeurd?” Moeder slaat de handen voor haar mond. “En wat heb je daar in die zak?”
“Een tijger. Kwam uit de boom vallen”, antwoordt vader.
“Heeft-ie je gebeten, Jos?”
“’t Is geen tijger maar een kat. Hij heeft me gebeten en gekrabd.” Jos spreidt zijn handen boven de gootsteen. Bloeddruppels vallen naar beneden.
“Ach, jongen. Dat heeft zeker wel pijn gedaan.”
“Dat doet het nog steeds!”
Jorien steekt haar hoofd om de hoek van de keuken, ziet de bloeddruppels op het aanrecht en rent met een gil weer naar de kamer.
“We moeten die wonden goed schoonmaken, anders gaan ze ontsteken.”
“Ja, goed schoonmaken. Anders ga je ook nog miauwen”, grapt vader.
“Haal jij even wat alcohol, Freek.”
Even later zet vader een donkerbruine fles op de keukentafel.
“Wat heb je daar nu?” Moeder is verbijsterd.
“Je vroeg toch om alcohol. Nou, als dit geen alcohol is, ben ik een rood bietje.”
“Ik bedoel alcohol om te desinfecteren, geen kruidenbitter, oelewapper. De alcohol die ik moet hebben zit in een klein flesje. Het staat in het kastje op de badkamer.”
In de volgende tien minuten worden Jos’ wonden zorgvuldig gewassen, met een handdoek gedroogd, bestrooid met een ontsmettingsmiddel en verbonden met wondgaas.
“Miauw, miauauauw” klinkt het uit de zak die nog in een hoek van de keuken ligt.
“Nou wil ik die kat ook wel eens zien”, zegt moeder. Ze buigt zich voorover naar de zak.
“Pas op, Trijntje! Dat beest vliegt je zo aan”, waarschuwt vader.
Moeder tilt voorzichtig een punt van de zak op. Ze wordt op slag verliefd. Die liefde is niet wederzijds, want het diertje begint weer hevig te blazen.
“We noemen hem ‘Zach’, want hij zat in de boom, net als Zacheüs. En hij is ook klein”, zegt vader.
Moeder probeert Zach te aaien, maar trekt haar hand snel terug als Zach zijn nagels erin wil zetten.
“Kijk eens wat knap, hij kan zijn poot helemaal omdraaien”, roept Jos.
Vader: “Hij lijkt wel van elastiek, die poot.”
“Maar dat hoort niet!” roept moeder. ‘Kattenpoten zijn niet van elastiek. Dat pootje is gebroken. We moeten naar een dierenarts.”
“Kunnen we die poot zelf niet repareren? oppert vader. “Dat heb ik in militaire dienst geleerd. Een houtje er langs en dan vastbinden met een sjaal, een riem of zoiets. Spalken heet dat.”
“Jij gaat helemaal niks aan die kattenpoot doen”, roept moeder. “We gaan naar de dierenarts.”
“Is die nog wel open? vraagt Jos. Het is kwart over vijf. Over drie kwartier is het Kerstavond.
“Dat zien we vanzelf. Ga jij mee, Jos? En, Freek, wil jij de zak voorzichtig in de auto leggen?” Moeder is een en al bedrijvigheid. Aan de stofzuiger denkt ze niet meer.

Na vier keer starten, slaat de motor aan. Moeder rijdt voorzichtig de onverharde weg af, richting Tweekerken. Daar woont een dierenarts. Sigrid heet ze. Zij waren er al eens naartoe geweest met een zieke eekhoorn. Jorien had het diertje op een vroege zomermorgen in de tuin ontdekt. Het lag op zijn rug. Z’n hartje klopte nog wel, maar verder zat er weinig beweging in. De dierenarts, een grote dikke vrouw met een enorme paardenstaart, ontdekte dat de eekhoorn iets had gegeten waar-ie niet tegen kon. Uiteindelijk bleek het dier een halve zak borrelnootjes opgegeten te hebben, die op de tuintafel waren blijven liggen. Een pilletje van de dokter hielp; de eekhoorn was snel weer de oude.

“Plop, plop”. Een paar dikke vlokken vallen op de voorruit van de auto. “Bah, nu gaat het nog sneeuwen ook”, moppert moeder.
“Fijn, kunnen we morgen sleeën”, zegt Jos.
Zach houdt zich gelukkig rustig in de zak. Jos durft het diertje wel te aaien, nu er een stevige aardappelzak omheen zit.
Het begint harder te sneeuwen. Het bordje Tweekerken zit al onder een laag sneeuw. Moeder zet de ruitenwissers een standje hoger.
“We zijn er bijna. Om die hoek staat het huis van de dokter”, zegt moeder.
“Nee, hè”, roept ze verschrikt. “Alles is donker.”
Ze parkeert de auto in de berm voor het huis. Het huis heeft twee deuren aan de voorkant: de deur links is de deur van de praktijk, via de deur rechts kom je in de woning van de dokter. Moeder loopt naar de linkerdeur en trekt aan het touwtje van de bel. Ze wacht een halve minuut en laat de bel nog een keer klingelen. Ze wacht weer tien tellen en trekt nog een keer, harder dit keer.
Geen enkel teken van leven.

Ze klimt weer in de auto.
“Wat moeten we doen?” vraagt ze meer aan zichzelf dan aan Jos. “We kunnen dat beestje toch niet met een gebroken poot laten lopen?”
“Waarom belt u niet bij die andere deur aan?” stelt Jos voor.
“Daar zijn de luiken dicht en is alles donker. Ze is gewoon niet thuis.”
“Probeer het maar. Misschien doet haar licht het ook niet.”
Moeder stapt de auto weer uit, loopt naar het raam van de dokterswoning en gluurt tussen de luiken naar binnen. Ze slaakt ze een kreet van verbazing. “Ohhh!”
Haastig legt Jos de zak naast zich neer. Snel wurmt hij zich de auto uit. Hij rent naar zijn moeder en kijkt over haar schouder. Zijn mond valt open van verbazing. “Dat… Dat…”, stamelt hij. “Zo… Zo… Zoiets heb ik nog nooit gezien!”
“Ik ook niet. Wonderlijk hè?

Wat ze zien, is ook best apart. In een hoek van de kamer brandt een gezellig vuur in een open haard. De tafel is gedekt met zes bordjes. Achter vijf bordjes zit een poes, keurig rechtop, de staart bungelend over de tafelrand. Een grote, nogal dikke, vrouw loopt heen en weer met schaaltjes en pannen. Dat is Sigrid, weet Jos. Ze gaat op de stoel achter het zesde bordje zitten, pakt een schaal, een lepel en schept elk poezenbord vol met… Jos kan niet precies zien wat het is. Haar eigen bord vult ze met eten uit een andere schaal. Ze zegt iets tegen haar tafelgenoten en tegelijkertijd buigen de vijf poezen zich over hun bord en beginnen te smikkelen. Moeder beent naar de deur en trekt aan de bel. Jos ziet de vrouw verbaasd opkijken en van haar stoel opstaan.

Even later gaat de deur open. “Ha, hallo!” zegt een warme stem. “U ken ik. U bent de mevrouw van de eekhoorn.”
“Ja, dat klopt”, antwoordt moeder. “Het spijt me erg dat ik u stoor, op Kerstavond. Maar… We hebben een kat gevonden in het bos en dat diertje heeft een gebroken poot.”
“Ach, ach, ach. Daar moeten we gauw iets aan doen. Waar is het beestje?”
“In de zak, in de auto. Jos, haal jij Zach even op.”
“Dag, jongeman”, groet de dierenarts.
“Dag, mevrouw”, antwoordt Jos. “Ik ga Zach halen.”
“Heet de kat Zach? Wat een aparte naam! Ik heet trouwens Sigrid en ben geen mevrouw.”
“We hebben hem vernoemd naar Zacheüs”, zei moeder, “omdat hij in een boom zat. En omdat hij klein is.”
“Zacheüs? Die ken ik niet.”
“Zacheüs uit de Bijbel.”
“Uit de Bijbel, in een boom. Snappen doe ik het niet echt. Dat moet u me later maar een keer uitleggen. Laten we eerst iets aan dat pootje doen. Kom verder.”

Een half uurtje later ligt Zach in een ijzeren kooitje met een wit pootje. Er zit gips omheen. Jos heeft er met een zwarte viltstift zijn naam al opgeschreven.
Moeder wil betalen. Ze pakt haar portemonnee en vraagt naar de kosten. “Ik wil er niets voor hebben”, zegt Sigrid. “Ik vond het fijn om even bezoek te hebben gehad op Kerstavond.”
Jos ziet tranen over de wangen van de vrouw druppelen.
“Bent u dan helemaal alleen?” vraagt moeder.
“Mijn man is drie jaar geleden overleden. Met mijn zoon heb ik sinds twee jaar geen contact meer. Soms gaan de dingen zo. En ja, ik ben alleen. Maar heb wel vijf poezen.”
“Weet u wat?” zegt moeder. “Niemand hoort op Kerstavond alleen te zijn, vind ik. Waarom komt u niet bij ons eten? Mijn man heeft drie haantjes geslacht. Dat is meer dan genoeg voor ons allemaal. De poezen neemt u natuurlijk mee. Dan heeft Zach ook gezelschap.”
Even later later ziet Jos zijn eigen huis weer opdoemen door de autoruit. Vader staat op de stoep een pijp te roken. Zijn ogen worden groter en groter als hij toekijkt wat er allemaal uit de wagen komt… Vijf poezen, een gewonde kat, een dikke mevrouw, moeder en Jos. 

Moeder stelt Sigrid en vader aan elkaar voor. Dan rept ze zich naar de keuken om –bij kaarslicht– de haantjes klaar te maken. Jos en Jorien dekken de tafel. Vader neemt een glaasje kruidenbitter, schenkt Sigrid een glas thee in en vertelt over Zacheüs. Dat doet hij in heel eigen woorden. Vader is vaak grappig, maar als het om de dingen van de Bijbel gaat, kan hij ernstig zijn. “Iedereen is een soort Zacheüs”, eindigt hij zijn uitleg. “Iedereen zit in een boom. En Jezus ziet ons, ook al denken we onzichtbaar te zijn tussen de bladeren. Hij roept ons. De vraag is of we in onze boom blijven zitten of dat we naar beneden klimmen.”

 

 



 

Geplaatst op: 04-12-2017 geschreven door: Harold Wilbrink beeld iStock

naar magazine

Reacties

Wees de eerste om een reactie achter te laten!

Laat een reactie achter

Naam:
E-mail:
(Jouw e-mailadres komt niet bij het bericht op de website)

Nieuws van vandaag

Schapenrace in de VS

Schapenrace in de VS

Een kind klemt zich vast aan een schaap tijdens het "Mutton Bustin"-evenement op dinsdag in Denver in de Verenigde Staten. Het is een soort...

lees meer

Weleens van een zwerfboek gehoord?

Weleens van een zwerfboek gehoord?

Weleens van een zwerfboek gehoord? Je hebt er duizenden in Nederland en je kunt ze vinden in KinderzwerfboekStations. Staatssecretaris Van Ark...

lees meer