Mannen, vrouwen, kinderen als koopwaar

Je bent eigendom van iemand anders. Je werkt voor iemand anders. Je wordt zomaar doorverkocht aan wéér iemand anders. Je kunt niet stoppen. Je kunt niet vluchten. Heb je geluk, dan is je eigenaar goed voor je; heb je pech, dan mishandelt hij je. Je bent een slaaf.

Wie kwam er op het idee? Niemand die het precies weet. Zeker is dat er al heel lang geleden mensen als slaaf werden gehouden. In Oudheid – de tijd dat het schrift (het geschreven woord) werd ‘uitgevonden’, dus lang voordat de Heere Jezus werd geboren – had je al mensen die anderen als hun bezit beschouwden, hen voor zich lieten werken of hen verkochten. In het Oude Griekenland, bijvoorbeeld, was dit heel gewoon.

Vooral in de tijd van de Romeinen –  ongeveer 750 voor Christus tot 475 na Christus –  had je veel slaven. Dat hoorde er gewoon bij. Lang niet altijd was hun meester slecht voor hen, maar ze werden wel als ‘minder’ beschouwd, soms als een kind dat gehoorzamen moest, soms als een hond. Slaven werden toen vaak ‘kleine’ genoemd. Ze hadden zelfs een eigen soort namen, zoals ook honden een eigen soort naam hadden: Bello, Lassie of Fikkie.

Waar kwamen de slaven eigenlijk vandaan? Als je ouders slaaf waren, was jij het natuurlijk ook. Maar het gebeurde ook dat vrije mensen zichzelf als slaaf verkochten, omdat ze anders van honger zouden omkomen. Anderen legden hun kind te vondeling bij een tempel of een vuilnisbelt. Daar konden ze dan door slavenhandelaren worden opgehaald. En had je schulden die je niet kon betalen? Dan mocht de schuldeiser je tot slaaf maken.  

Hoewel echt niet elke slaaf slecht behandeld werd, hadden de meesten het wel heel moeilijk. Vooral de zogenaamd kettingslaven, die als slechte slaven werden beschouwd en heel hard moesten werken terwijl ze aan een ketting vastzaten. Werden ze verkocht, dan moest de nieuwe eigenaar beloven dat ook hij hen altijd aan een ketting vastgebonden hield. Deze slaven werkten meestal op het land.

Er waren ook slaven die producten maakten, zij bakten potten of maakten touw. Anderen werkten als huisknechten. Hoe rijker hun eigenaar was, hoe meer bedienden hij had. Sommige huisslaven en slavinnen werden zo goed behandeld dat ze alles voor hun meester(es) over hadden. Anderen werden als oud vuil beschouwd. Was je meester goed voor je, dan nog leidde je een onzeker bestaan. Want als hij stierf of bijvoorbeeld geld verloor, kon je zomaar verkocht worden.

Natuurlijk kwamen slaven het beste van pas bij het vervelendste en gevaarlijkste werk. In de mijnen bijvoorbeeld. In het aardedonker, diep onder de grond moesten ze kolen of andere stoffen ‘opgraven’. Ze kregen weinig zonlicht en liepen elke dag het risico bedolven te worden in een instortende gang. Nog zwaarder hadden de galeislaven het, die dag in, dag uit zwoegden in het donkere ruim van een schip. Je snapt wel dat slaven die dit soort werk moesten doen, meestal niet oud werden.

Dit geldt trouwens ook voor degenen die als gladiatoren werden ingezet, als zwaardvechters dus. Zij moesten, vaak samen met krijgsgevangenen of misdadigers, vechten met elkaar of ook wel tegen wilde dieren. Dat deden ze in een arena, terwijl het publiek toekeek en genoot van de gruwelijke gevechten. De verliezers in deze gevechten overleefden het ‘spel’ meestal niet.

Vooral in de eerste eeuwen mochten slaven niet trouwen. Ze werkten hard en kregen slecht te eten. Als hun meester niet tevreden over hen was, kon hij hen op allerlei vreselijk manieren straffen. Veel slaven kregen zweepslagen. Stierven ze, dan werd hun lichaam niet begraven, maar op een vuilnisbelt gegooid! Pas in latere eeuwen konden slaven vaker een eigen gezin stichten en werd er ook voor hen in veel gevallen een begrafenis geregeld.  

Het klinkt raar, maar er bestonden wel slaven die een betere baan hadden dan veel vrije mensen, zoals opzichters. Ambtenaren van de keizer – zijn schatbewaarders bijvoorbeeld – waren ook slaven. Verder had je Romeinse dokters die slaven tot arts opleidden. Universiteiten waar je geneeskunde kon studeren, waren er immers nog niet. Maar hoe ver een slaaf het ook geschopt had, hij werd nog altijd als minder dan andere mensen beschouwd en hij kon nog altijd verkocht of mishandeld worden.

De liefste wens van – bijna – elke slaaf was dan ook: vrij zijn! Soms had een meester in z’n testament geschreven dat zijn slaven vrijgelaten moesten worden als hij overleed. Een enkele keer kreeg een slaaf de vrijheid als beloning omdat hij zijn meester lange tijd trouw had gediend of omdat hij iets bijzonders had gedaan, iemand gered had, bijvoorbeeld. Er waren ook slaven die met hun werk geld verdienden, waarmee zij zichzelf uiteindelijk konden vrijkopen.

Slaven die oud werden, mochten ook weleens vertrekken. Zij konden toch niet meer zo hard werken en op die manier hoefde hun meester hen tenminste geen eten meer te geven… Voor de vrijlating van een slaaf bestond zelfs een speciaal woord: manumissio. Vluchten was meestal geen goed idee. Want waar moest je heen? Je leidde een opgejaagd bestaan, was nergens veilig en kon nauwelijks aan eten en onderdak komen.

Pas nadat eeuwenlang ontelbaar veel mannen, vrouwen en kinderen intens geleden hadden onder de slavernij en de meesten van hen een akelige dood gestorven waren, zagen steeds meer mensen in dat de slavenhandel gestopt moest worden. Lang niet iedereen was het daarmee eens. Slaven leverden immers veel geld (en gemak) op. En bijna iedereen was ervan overtuigd dat slaven écht minder waren dan andere mensen, dus waarom zou je hen niet voor je mogen laten werken?

Het werd dan ook een heel gevecht om de slavernij inderdaad af te schaffen. De Engelsen deden dat uiteindelijk dan toch. In het jaar 1804 verboden zij de slavenhándel. Slavernij zelf werd daarmee nog niet afgeschaft, er kwamen alleen geen nieuwe slaven meer bij. Totdat de Engelsen in 1833 ten slotte ook een einde maakten aan de slavernij op zich. Frankrijk deed dit in 1848. En Nederland volgde – als een van de laatste Europese landen – pas in 1863.

In Amerika duurde het nog langer, daar is pas sinds 1865 de slavernij verboden. In 1861 brak er een burgeroorlog uit, waarbij honderdduizenden slaven vanuit het zuiden naar het noorden vluchtten. De president, Abraham Lincoln, had namelijk gezegd dat ze in het noorden vrij zouden zijn. Veel van die slaven sloten zich aan bij het leger en vochten tegen het zuiden, net zolang tot het zuiden zich overgaf en de afschaffing van de slavernij accepteerde.  

Niet trots
Hoewel iederéén die arm was, uiteindelijk slaaf kon worden, ging het in veel gevallen om donkere mensen. Ook na de afschaffing van de slavernij werden in veel landen gekleurde mensen nog steeds als minderwaardig beschouwd. Nederlandse slaven kwamen nogal eens uit Suriname, maar ook wel uit Afrika en Indonesië. Dat zij de reis naar ons land overleefd hadden, was op zich al een wonder. Een groot deel van de slaven overleed al aan boord. Ze werden namelijk wekenlang in overvolle, hete, stinkende scheepsruimen gestopt, waar ze nauwelijks te eten of te drinken kregen.  Dit stukje geschiedenis is dus niet iets waar we trots op kunnen zijn. Wel kunnen we ervan te leren. Op 1 juli, de dag waarop – in 1863 –  Nederland de slavernij afschafte, wordt er daarom nog altijd een herdenking gehouden in Amsterdam. 

Geplaatst op: 04-09-2019 geschreven door: TEKST Jeannette Wilbrink-Donkersteeg BEELD iStock

naar magazine

Reacties

Wees de eerste om een reactie achter te laten!

Laat een reactie achter

Naam:
E-mail:
(Jouw e-mailadres komt niet bij het bericht op de website)

Nieuws van vandaag

Waarom is een rookworst rond?

Waarom is een rookworst rond?

Officieel wordt een rookworst van gemalen varkensvlees gemaakt. Maar ze kunnen ook bestaan uit rundvlees, ganzenvlees of kippenvlees. En er...

lees meer

Zijn kaarsen slecht voor je gezondheid?

Zijn kaarsen slecht voor je gezondheid?

In 2006 ontdekten onderzoekers dat er bij de verbranding van kaarsen kankerverwekkende stoffen vrijkomen. En in 2017 zeiden onderzoekers van...

lees meer