Het geheim van de iglo's

Florian z’n ogen worden groter dan ooit als hij door een kiertje van zijn gordijn gluurt. Eén moment blijft hij stokstijf staan. Dan laat hij het gordijn los, vliegt de deur uit en rent - op blote voeten, in pyjama - naar de slaapkamer van Elena. Zijn zusje ligt al te lezen. Ze kijkt verstoord op.
„Moet je nou eens komen kijken!” roept Florian.
Elena laat haar boek zakken. „Hoezo?”
„Kòm dan!”
Nieuwsgierig staat Elena op. Florian vliegt voor haar uit, de gang door naar zijn kamer aan de andere kant van het huis. Zodra ze binnenstapt, schuift hij met brede armzwaaien zijn gordijnen open. „Tadaaaa!”
Het dikke pak sneeuw daar buiten verrast Elena niet. Dat is alleen maar de eerste dagen bijzonder, hier in hun bergdorp. Inmiddels ligt het er al een paar weken en zijn ze er wel weer aan gewend. Het blijft mooi, maar niet iets om je bed voor uitgetrokken te worden...
Elena haalt haar schouders op en wil teruggaan naar haar boek. „Nee, nee! Kom, kom!” gebaart Florian. Als ze twee stappen naar voren heeft gezet, ziet ze het opeens: In de tuin voor hun huis staat een droom van een iglo.
Even blijft het heel stil in de slaapkamer. Dan verzucht ze: „Wat een mooi ding! Hoe komt die daar?” Florian steekt beide handen in de lucht. „Géén idee!”
Met een slaperig gezicht verschijnt mama op de drempel. „Wat zijn jullie vroeg!” Haar blik volgt die van Florian en Elena. „Hè?! Een iglo?!” Een beetje verward kijkt ze de kinderen aan. „Zijn jullie nu al buiten geweest?” Ze schudden hun hoofd. Peinzend staren ze alle drie naar buiten.

Maxi slaat zich op de knieën als Florian hem later die ochtend vertelt over de ontdekking. Zijn lach galmt over het schoolplein en Florian gluurt wat ongemakkelijk om zich heen. „Een héle iglo? Zomaar opeens?” hikt Maxi. „Heb je d’r wel ingekeken, man? Lag er soms een maanmannetje in te slapen?”
„Doe niet zo stom!” zegt Florian kwaad. „Kom vanmiddag zelf maar kijken.”
„Doe ik!” belooft Maxi. „Als het ding dan tenminste niet is opgehaald door de ufo die hem heeft gebracht.”

De iglo staat er nog. Maxi moet toegeven dat het een juweel is. Bewonderend loopt hij eromheen. Goedkeurend gaat hij erin zitten. Dan kruipt hij weer naar buiten en kijkt speurend rond over de grond tot hij heeft ontdekt wat hij zoekt. Hij wijst naar de sneeuw achter Florian. „Kijk, die afdrukken zijn van jouw snow boots en die kleinere daar zijn zeker van Elena?’
Florian knikt.
„Zijn je ouders hier ook al geweest?”
„Nee, die hebben alleen vanuit het raam gekeken.”
„Dus van wie zijn die sporen daar dan?” vraagt Maxi triomfantelijk. Florian ziet wat hij bedoelt. Overal in de tuin staan voetafdrukken die net iets groter zijn dan die van hem. Maxi zet zijn voet naast één zo’n afdruk en tilt dan zijn been weer op. „Het is ongeveer mijn maat”, stelt hij vast. „Een tikkie groter, maar niet veel. Van een jongen dus…”
Bij het tuinhekje eindigt het spoor. Op het trottoir is de meeste sneeuw weggeschoven en het restje dat er nog ligt, is zo hard dat er geen afdrukken in achterblijven.
Maxi krabt zich achter zijn oren; Florian loopt een rondje om de iglo. Na een halfuurtje besluiten ze dat het raadsel wel een raadsel zal blijven en ze maar beter gewoon lekker in de witte hut kunnen gaan spelen. Florian haalt twee dekens en een kampeerlamp en de rest van de middag brengen ze door als echte Eskimo’s.

Een dag later gonst het door de school: bij de familie Kohlweiss is afgelopen nacht een iglo in de tuin gebouwd en niemand die weet wie het gedaan heeft!
Florian en Maxi kijken elkaar aan. „Wát?! Nóg eentje?”
Een jongen achter hen vangt hun woorden op. „Hoezo „nog eentje”?” vraagt hij verbaasd.
Even later weet de hele klas dat de iglo bij de Kohlweissen niet de eerste is, maar dat er gisternacht bij Florian thuis ook al eentje is gebouwd!

Het wordt een rare week. Op de derde dag staat er plotseling een iglo in de tuin van de familie Holzer. Zomaar vanzelf. En op de vierde dag zien Florian en Elena onderweg naar school een groepje mensen naast het huis van de oude Frau Gruber. Zelfs de politieagent is erbij.
Frau Gruber staat op pantoffels en in badjas in de sneeuw en gebaart opgewonden naar de iglo naast haar voordeur: „Ik heb het niet gedaan!” piept ze op hoge toon tegen de agent. „Ik heb nog nooit van me leve’ een iglo gebouwd. Ik doe alleen maar ‘an sneeuwpoppe.” Even hapt ze naar adem. „En da’s trouwens ook alweer 60 jaar geleje’, da’ ‘k de laatste gemaakt heb!”
Haar linkerbuurvrouw schiet zenuwachtig in de lach, maar de buurman van rechts moppert: „Wat is dit voor gedoe? ’s Nachts hoort een mens te slapen. De wereld wordt steeds onveiliger. Afgelopen maand was er die lawine, drie dorpen verder. Vorige week nam dat vreemde vluchtelingengezin zijn intrek hier bij ons in ons eigen dorp. En nu spookt er midden in de nacht iemand rond, vlakbij mijn huis! Misschien moet ik maar eens een nachtje met mijn jachtgeweer in de vensterbank gaan zitten!”
Agent Vanicek legt zijn hand op de schouder van de buurman. „Zou ik niet doen, beste kerel. Laat dit maar aan mij over. Ik zal vannacht wel surveilleren.”
„Survei-watte?” vraagt Elena fluisterend aan Florian. Die haalt hoofdschuddend zijn schouders op, maar de jonge knul die voor hen staat, draait zich om en legt uit: „Surveilleren! De wacht houden! Rondlopen, weet je wel?”

Drie nachten lang verschijnt er geen enkele geheimzinnige iglo in het dorp. De rust keert weer. Maar dan is agent Vanicek te moe en blijft hij een nachtje onder de dekens. De volgende morgen prijkt er een pracht van een iglo in de wei naast de school.
De jongere kinderen van het dorp spelen heerlijk in al die nieuwe sneeuwhutten. Ze sluiten de ingangen met planken of kleden af en maken het binnen behaaglijk met dekens en warme lampen. Poppen, autootjes en zelfs speelgoedkeukens verhuizen naar de iglo’s en de moeders zien hun kroost haast niet meer in huis. Alleen het drietal van het nieuwe vluchtelingengezin zit onzichtbaar op hun zolderkamertje boven de bakker. Ze zijn wel even bij een van de iglo’s wezen kijken, maar werden meteen er meteen weer uit geduwd.
Voor Florian en Maxi en andere grotere kinderen is de lol van het Eskimootje spelen er een beetje af. Ze voelen de spanning onder de volwassenen. Wie bouwt al die iglo’s? En waarom?
Florian heeft het gevoel dat alle mensen elkaar achterdochtig aankijken, op straat, in de winkels, in de kerk. Alsof ze allemaal van elkaar denken: Ben jij misschien die mysterieuze iglobouwer? Hij herinnert zich de woorden van de buurman van Frau Gruber. „De wereld wordt steeds onveiliger (…) lawines (…) (…) dat vreemde vluchtelingengezin (…) en nu spookt er midden in de nacht iemand rond …”
Even heeft hij gedacht dat de komst van die vluchtelingen misschien te maken had met de raadselachtige gebeurtenissen. Maar agent Vanicek schijnt al bij ze thuis te zijn geweest, in dat kamertje boven de winkel van de bakker. Het was een moeizaam gesprek, had Vanicek later verteld, want de vader was niet thuis en de vrouw en haar kinderen spraken hun taal nog nauwelijks, ook geen Engels. Maar Vanicek had niet de indruk gekregen dat de mensen ook maar iets van de iglo’s afwisten.
„Trouwens, zo’n grote misdaad is het nu ook weer niet”, heeft de agent inmiddels bedacht. Hij heeft er eigenlijk ook niet zoveel zin meer in om ’s nachts in de vrieskou rondjes te lopen. „De dader jat tenslotte niks. Hij brèngt alleen wat. Je kunt hem hooguit verwijten dat-ie ongevraagd op andermans terrein komt…”
De dader… Dat klinkt toch niet fijn, vindt Florian. Hij begint er een beetje van te balen. Al die onrust… En dat net in de Adventstijd, die anders altijd zo gezellig is in hun dorp.
Hij kijkt naar de hoge bergen die als een veilige cirkel oprijzen rondom de huizen. Ze hebben het hier fijn met elkaar. Overdag komt er hooguit eens een toerist langs, maar die vertrekt al snel. Hotels zijn er niet en komen er niet ook. Geen vreemde indringers hier! Daar is iedereen het over eens. Het is al beroerd genoeg dat de burgemeester van het dorp verderop heeft besloten dat dat vluchtelingengezin tijdelijk bij hun bakker moet bivakkeren, omdat hij zelf even geen plaats voor ze heeft. Bij de bakker staat nu trouwens ook al een iglo voor de winkel, bedenkt Florian. Bah!
Die zondag gaat er een afkeurend gemompel door de kerk als de vluchtelingenvader opeens met zijn gezin op de drempel staat. Florian ziet hoe de mensen elkaar geërgerd aankijken, terwijl de ouders met hun zoon en twee dochtertjes een plekje zoeken.
Het is ook wel brutaal, bedenkt hij, terwijl de dienst begint. Eerst hebben ze al geprobeerd hun kinderen op de dorpsschool te krijgen, maar dat wist de meester gelukkig te voorkomen. Hij zou veel te veel tijd hebben moeten besteden aan die kinderen, met hun taalachterstand. En nu komen ze gewoon naar de kerk. Niemand heeft hen toch zeker uitgenodigd?
Meneer Pastoor stapt binnen met de misdienaartjes, een paar kinderen die bij Elena in de klas zitten. Een van hen mag de derde adventskaars aansteken en een ander leest uit de Bijbel de geschiedenis voor van Jozef en Maria die een plekje zoeken voor de geboorte van hun Kind, en in een stal terechtkomen. „Omdat voor henlieden geen plaats was in de herberg”, klinkt de stem van jongen luid en duidelijk door de hoge kerk. Dan gaat hij zitten en begint de pastoor aan zijn preek.
Geen plaats…, peinst Florian. Geen plaats. Even dwaalt zijn blik naar de vluchtelingen, die blijkbaar uit een Bijbel in hun eigen taal proberen mee te lezen. Meteen schiet hem het verschijnen van al die gekke iglo’s weer te binnen. En terwijl de pastoor praat en praat, probeert Florian in gedachten het raadsel op te lossen. Het lijkt hem toch sterk dat die vreemden hier niks mee te maken hebben. Het is té toevallig dat er mysterieuze iglo’s opduiken, juist nadat zij hier zijn komen logeren. Misschien moet hij vannacht hun huis eens in de gaten houden!
Na de kerkdienst deelt Florian zijn plan fluisterend met Maxi, die meteen enthousiast is. Samen willen ze nog even de voeten van de vluchtelingenzoon bekijken. Als die jongen een iets grotere schoenmaat dan Florian heeft, hebben ze vannacht vast beet!
Maar het gezin sjokt al door de dorpsstraat. Met wie zouden ze ook moeten blijven staan praten hier? Ze zijn voor de jongens helaas al te ver weg om nog iets zinnigs over de schoenmaat te kunnen zeggen.
„Hm, dat joch líjkt me in elk veel te klein voor die voetafdrukken die wij hebben gezien”, zegt Maxi nadenkend. Florian knikt teleurgesteld. „Als híj het niet is, wie dan wel?! Laten we vannacht in elk geval gaan kijken. We moeten toch ergens beginnen.”

Die avond kruipen Florian en Maxi met hun kleren aan in bed. De wekker op hun telefoon staat op 01.00 uur. Het tweetal ontmoet elkaar in het aardedonker voor het huis van Maxi en ze sluipen direct door de ijzige kou naar de bakkerij. Achter een heg aan de overkant blijven ze wachten.
„Wat doen we eigenlijk als hij het is?” vraagt Maxi op gedempte toon.
„Overmeesteren!” antwoordt Florian fluisterend.
„En dan?”
„Naar agent Vanicek ermee!”
„Maar eh… het is toch geen diefstal of zo?” Maxi is even stil en grinnikt dan. „Die jongen komt juist iets brèngen.”
„Gedoe, ja!” zegt Florian. „Dát komt-ie brengen. Onrust! Hij hoort hier niet. En de rest van z’n familie hoort hier ook niet. En die iglo’s zijn belachelijk.”
Heel even vliegt weer de gedachte die hij in de kerk had, door zijn hoofd. “Geen plaats”. Geërgerd schudt hij de herinnering van zich af. Laat die lui teruggaan naar hun eigen land. En als daar oorlog is? Nou, dan… dan… gewoon ergens anders naartoe…!”
Op dat moment verschijnt er een zwarte schim bovenaan de buitentrap van de bakkerij. Florian krijgt van Maxi zo’n stevige stoot in zijn zij dat hij hardop kreunt. „Ssst”, sist Maxi. Woedend kijkt Florian opzij, maar voor ruzie is nu geen tijd. Met grote ogen staren ze naar degene die daarboven even om zich heen staat te kijken en dan haastig de trap afkomt.
„Hij is het niet!” fluistert Maxi.
„Het is z’n vader!” stelt Florian vast. Natuurlijk! Die man is zo klein, die kan best de schoenmaat hebben waarvan ze afdrukken in de tuin hebben gezien.
„Huh?! Kijk nou! Hij heeft een afwasbak bij zich!” zegt Maxi verbaasd.
Daar maakt hij de blokken van sneeuw mee, sukkel!” sist Florian terug. Zo zacht mogelijk en op voldoende afstand volgen ze de vader van het vluchtelingengezin. De man loopt in snel tempo richting de kerk. Bij de pastorie houdt hij halt, opent de poort naar de tuin, stapt erdoor en bukt zich meteen om zijn afwasteil met sneeuw te vullen. Even later zet hij die bak op z’n kop en trekt hem omhoog. Een mooi vierkant blok van sneeuw blijft op de grond achter.
In razend tempo werkt de man verder, en binnen de kortste keren staat er een mooie kring van blokken op het gazon van meneer pastoor. Vanonder een besneeuwde dennenboom kijken Florian en Maxi met open mond toe.
„En nu?” vraagt Maxi zacht.
„Tsja, eh… eropaf…”, aarzelt Florian op gedempte toon. Dan maakt hij zich zo breed mogelijk, balt zijn vuisten en loopt met grote stappen op de tuinpoort af. Maxi volgt hem op de voet.
Verbaasd kijkt de man op. „Hi!” zwaait hij dan. Florian staat als aan de grond genageld, maar de vreemdeling lacht vriendelijk en vraagt: „You help me?” Meteen duwt hij Maxi vrolijk de afwasbak in zijn armen en begint zelf met zijn handen sneeuwblokken te maken. Heel even lijkt Maxi te twijfelen, dan ziet Florian tot zijn grote verrassing hoe zijn vriend de bak begint te vullen.
„Waarom…?” vraagt Florian, als hij van de eerste verbijstering bekomen is. Hij graaft in zijn geheugen naar Engelse woorden. „Waarom doet u dit?”
De man gaat even rechtop staan. Hij glimlacht. „Cadeautje”, zegt hij in gebroken Engels. „Voor jullie”. Hij wijst naar Florian en Maxi en dan naar de huizen rondom. „Burgemeester zegt: Bij jullie eigenlijk geen plaats. Wij toch mogen komen. Wij blij. Dankbaar. Ik geen geld hebben, niets kunnen kopen. Ik iglo’s maken. Verrassing! Alle kinderen fijn spelen kunnen.”
Het duizelt Florian.
„Geen plaats”, zei die man. Met een heet gezicht begint hij een sneeuwblok te maken, zoals hij dat de man heeft zien doen. Een tijdlang werken ze stug door, zonder dat iemand iets zegt. Als de iglo ruim een uur later klaar is, schudt de vluchteling de jongens hartelijk de hand. „Dank, dank, dank!” lacht hij uitbundig. „Hij knipoogt en wijst veelbetekenend naar de pastorie. „Kindjes morgen wakker. Kindjes morgen blij!”
Florian laat het maar zo. Hij weet even niet hoe je in het Engels uitlegt dat de pastoor geen kinderen heeft. Hij weet sowieso weinig meer te zeggen. Zwijgend loopt hij naast Maxi naar huis.

De volgende morgen is het zondag. Op het kerkplein spreken de mensen er schande van: nu staat er zelfs een iglo in de pastorietuin! Florian en Maxi staan met hun handen in de zakken een beetje onverschillig toe te luisteren.
„Ach”, zegt Florian opeens. „Dat is toch best leuk voor de neefjes en nichtjes van meneer Pastoor, als ze vanmiddag met hun ouders op de koffie komen?” Met opgetrokken wenkbrauwen kijkt Maxi hem aan. Dan valt hij hem bij: „Ja! Ja, natuurlijk. Leuke verrassing voor ze!”
Ook het vluchtelingengezin komt weer aanlopen. Aarzelend stapt Florian op hen af. Hij kijkt de jongen aan. „De kerstvakantie is begonnen. Heb je zin om morgenmiddag bij mij in de iglo te komen spelen?” vraagt hij „Mijn vriend is er dan ook.” Hij wijst naar Maxi. Blij knikt de jongen. Zijn vader staat er stralend bij.

Geplaatst op: 17-12-2019 geschreven door: TEKST Jeannette Wilbrink-Donkersteeg BEELD iStock

naar magazine

Reacties

Wees de eerste om een reactie achter te laten!

Laat een reactie achter

Naam:
E-mail:
(Jouw e-mailadres komt niet bij het bericht op de website)

Nieuws van vandaag

Gratis luisterboek: Ga voor Mij naar China

Gratis luisterboek: Ga voor Mij naar China

Speciaal voor deze dagen, waarin jij niet naar school kunt, geeft uitgeverij De Banier twee luisterboeken cadeau. Elke schooldag komt er een...

lees meer